Vakbond Vijfsterren varkensboeren

Belangenorganisatie voor de beste varkensboeren van Nederland

Kennisbank

Overzicht van verwijzingen naar wet -en regelgeving omtrent het houden van varkens. De regels gelden voor alle varkens die in Nederland worden gehouden. Voor buitenvarkens worden (nog) geen uitzonderingen gemaakt. Vrijwel alle regels zijn gestoeld op de intensieve varkenshouderij. Het massaal houden van varkens op zeer beperkte ruimte in stallen kan negatieve effecten hebben op het milieu en de volksgezondheid. Ook heeft het impact op het landschap en ruimtelijke ontwikkeling. 
De regels over dierziektepreventie en het Identificatie & Registratie (I&R) systeem gelden ook voor buitenvarkensbedrijven.
Het is de taak van de Vakbond om te inventariseren welke regels eigenlijk niet van toepassing zijn op buitenvarkens en in sommige gevallen de bedrijfsvoering juist in de weg zitten.

Overzicht regelgeving varkenshouderij

Bedrijfs of hobbystatus?

Bedrijfs of hobbystatus?

Indeling status naar type bedrijf Varkensbedrijven worden ingedeeld naar 'productietype'. Er is een aparte categorie 'hobby/recreatie' voor kleinschalige varkenshouders, tegenwoordig RE genoemd. Een beknopte uitleg van de verschillende typen: RE: Het type hobby/recreatie (RE) geldt alleen wanneer de varkenshouder maximaal vier varkens heeft, inclusief eventueel niet-gespeende biggen. Varkenshouders in deze categorie mogen varkens afvoeren naar de slacht en mogen zonder toestemming varkens aan- en afvoeren. RE-varkenshouders moeten over een UBN beschikken. Dat kunnen ze aanvragen bij mijnrvo.nl . Ze krijgen dan toestemming van de minister om voor de hobbyvarkens te houden. Ze moeten een bedrijfsregister bijhouden, digitaal of op papier, waarin alle gegevens van de varkens (geboorte aan- en afvoer) staan vermeld. De aan- en afvoer van een varken zal als een mutatie moeten worden geregistreerd in een van de twee door de overheid aangwezen databanken, die van de Producenten Organisatie Varkenshouderij of Varkenspost.nl. RE-varkenshouders mogen varkens ontvangen van elk varkensbedrijf en een houder met RE-status. Voor varkenshouders met minder dan 5 varkens voegt het aanvragen van een andere status, zoals de B-status, alleen wat toe als ze bijvoorbeeld vleesbiggen willen afvoeren naar een varkenshouder met een D-status. A-bedrijf (fokbedrijf): Een A-bedrijf heeft zeugen voor het produceren van biggen. Omdat een A-bedrijf aan het begin van de keten staat (fokbedrijf - (speenbigbedrijf) - vermeerderaar - vleesvarkensbedrijf), moet dit bedrijf voldoen aan hoge specifieke eisen ten aanzien van de hygiene, zoals de aanwezigheid van een douche, voorzieningen voor reinigen en ontsmetten, en een afgesloten erfafscheiding. Maandelijks wordt er getest op varkensziektes, Aujeszky en Klassieke Varkens Pest. B-bedrijf (vermeerderaar): Op een B-bedrijf worden zeugen gehouden voor de biggenproductie. Voor een B-bedrijf gelden de standaard voorwaarden ten aanzien van gezondheid en hygiene. C-bedrijf (opfokbedrijf): Een C-bedrijf is een bedrijf met fokbiggen. Varkens op een C-bedrijf zijn bestemd om nadien als gelt naar een A-bedrijf (fokbedrijf) of een B-bedrijf (productie van biggen voor de vleesproductie) te worden afgevoerd. Ze kunnen ook direct aan een vleesvarkenbedrijf (D-bedrijf) worden geleverd. Het bedrijf moet voldoen aan een aantal specifieke eisen ten aanzien van de hygiene. Maandelijke tests op varkensziektes. D-bedrijf: (vleesvarkensbedrijf, houderij waarvoor geen aanvraag is ingediend, waarvan de aanvraag in behandeling is of waarvan de aanvraag is ingetrokken). Mag alleen afvoeren naar het slachthuis. Daarom geldt voor deze categorie een soepel regime en hoeft er niet maandelijks te worden getest op varkensziektes. Mag in een periode van zestien weken varkens aanvoeren van ten hoogste zes A, B, C, E- of F-bedrijven of bedrijven in het buitenland. E-bedrijf (speenbigbedrijf): Op een E-bedrijf worden speenbiggen gehouden, die uitsluitend afkomstig zijn van 1 A-bedrijf. Een E-bedrijf moet aan strenge hygienevoorschriften voldoen. Maandelijke tests op varkensziektes. F-bedrijf (speenbigbedrijf): Op een F-bedrijf worden speenbiggen gehouden, die uitsluitend afkomstig zijn van 1 B-bedrijf.

Meststoffenwet

Meststoffenwet

Uitleg De meststoffenwet stelt grenzen aan de hoeveelheid meststoffen die op een bedrijf in de bodem mogen worden gebracht. De grenzen voor dierlijke meststoffen zijn ontleend aan de Europese Nitraatrichtlijn. De overheid kan niet rechtstreeks controleren of een bedrijf zich aan de gebruiksnormen heeft gehouden. Bedrijven moeten daarom in hun administratie vastleggen hoeveel dieren ze houden en welke meststoffen op hun land zijn gebracht of hoeveel mest van het bedrijf is afgevoerd. Op 1 januari 2014 is de meststoffenwet gewijzigd: voor boeren die meer mest produceren dan ze op eigen land kwijt kunnen, geldt een mestverwerkingsplicht. Ook kunnen ze via zogeheten mestplaatsingsovereenkomsten de mest afvoeren naar bijvoorbeeld akkerbouwers. Deze wijziging dient om het mestoverschot aan te pakken.

RVO Onderscheid tussen bedrijfsmatig en hobbymatig In de wet is niet in cijfers vastgelegd wat het onderscheid is tussen hobbymatig en bedrijfsmatig. De wet stelt dat het onderscheid uit de feitelijke omstandigheden moet blijken. Om iets meer houvast te hebben mag een houder ervan uitgaan dat hij als hobbymatig wordt aangemerkt indien de door hem of haar gehouden dieren per jaar niet meer stikstof produceren dan 350 kg. Dit is tevens de uiterste grens voor kleine bedrijven. Dierhouders die dieren bedrijfsmatig houden, moeten zich registreren bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Zij moeten een administratie bijhouden van het aantal dieren, de mestvoorraad, de oppervlakte landbouwgrond, de aangevoerde en afgevoerde meststoffen.

Diergeneesmiddelen

Diergeneesmiddelen

Regelgeving Het Nederlandse Diergeneesmiddelenbesluit en de Diergeneesmiddelenregeling vallen onder de Europese regels voor diergeneesmiddelen. Volgens die regels kunnen geneesmiddelen voor voedselproducerende dieren uitsluitend via een recept van de dierenarts worden verkregen. In 2008 is een aantal voorheen vrij verkrijgbare middelen receptplichtig geworden. Het gaat hierbij om anti-wormmiddelen, middelen tegen parasieten, huidinfecties en schimmels, pijnstillers en kalmeringsmiddelen (sederingsmiddelen). De nieuwe maatregel geldt alleen voor landbouwhuisdieren: runderen, geiten, schapen, pluimvee, paarden en varkens. Met de nieuwe maatregel is er een nieuwe categorie diergeneesmiddelen bijgekomen: de zogenoemde URA-middelen (URA staat voor ‘Uitsluitend op Recept Afleveren’). Tussenkomst van een dierenarts bij het verstrekken van dergelijke middelen is voortaan verplicht, want hij moet het recept uitschrijven. Goede Veterinaire Praktijk Voor het verkrijgen van een recept voor de URA-categorie geneesmiddelen is het (in de regel) niet nodig dat de dierenarts voor consult langskomt bij de individuele dieren. Wel wordt hij geacht een diagnose te stellen en dus de dieren waarvoor de middelen bedoeld zijn, te kennen (zie voor een Goede Veterinaire Praktijk onderstaand artikel uit het Tijdschrift voor Diergeneeskunde ''Antiparasitaire middelen''). In veel gevallen – bijvoorbeeld bij ontwormingsmiddelen – kan de dierenarts een recept uitschrijven voor alle dieren van de dierhouder tegelijk, en dat voor een heel jaar. Dit scheelt receptkosten (zo’n 5 tot 15 euro per recept, afhankelijk van wat de dierenarts berekent). Verkoop door andere partijen De dierhouder kan ook merkvoorkeuren doorgeven aan de dierenarts. De dierenarts kan de dierhouder niet verplichten de middelen bij de dierenartspraktijk af te nemen. Hij is dus wel de voorschrijver, maar niet automatisch ook de verkoper van het voorgeschreven middel. Ook een erkende handelaar mag het betreffende middel leveren, nadat de dierhouder het recept van de dierenarts heeft afgegeven bij de handelaar. Een erkende handelaar kan bijvoorbeeld een dierenspeciaalzaak, verzendhuis of boerenwinkel zijn, als het bedrijf maar erkend vergunninghouder is voor het afleveren van URA-diergeneesmiddelen. URA-middelen kunnen uiteraard ook worden gekocht bij de eigen dierenarts. In dat geval bespaart men de kosten van een recept. Er bestaan nu vier categorieën diergeneesmiddelen: UDD: uitsluitend door de dierenarts toe te dienen UDA: uitsluitend door de dierenarts of apotheker af te leveren, toediening door de veehouder/dierverzorger URA: uitsluitend op recept van de dierenarts, te verkrijgen bij dierenarts, apotheker of erkende handelaar, toediening door de veehouder/dierverzorger VRIJ: geen recept nodig, te verkrijgen bij dierenarts, apotheker of erkende handelaar, toediening door de veehouder/dierverzorger